Statuut buitenlandse mandatarissen: vragen bij onweerlegbaar vermoeden zelfstandige activiteit

Wie als vennootschapsmandataris is benoemd in een Belgische vennootschap, wordt vermoed zijn zelfstandige activiteit in België uit te oefenen. Dit vermoeden kan worden weerlegd. Mandatarissen die hun vennootschap vanuit het buitenland besturen, kunnen dit vermoeden niet weerleggen. Dit onweerlegbaar vermoeden voor buitenlandse mandatarissen komt op de helling te staan na een uitspraak van het Hof van Justitie.

Sociaal statuut der zelfstandigen

Het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen voorziet in een wettelijk vermoeden dat bestuurders van Belgische vennootschappen hun mandaat uitoefenen vanuit België (artikel 3).
Voor binnenlandse bestuurders is dit vermoeden weerlegbaar. Als zij kunnen bewijzen dat hun mandaat in rechte en in feite onbezoldigd is, worden zij verondersteld geen beroepsactiviteit in België uit te oefenen en zijn zij hier ook niet verzekeringsplichtig.
Voor buitenlandse bestuurders die vanuit het buitenland een vennootschap met zetel in België besturen, is dit vermoeden onweerlegbaar.  Zij worden altijd beschouwd als zelfstandige in België en zijn hier verzekeringsplichtig.

Grondwettelijk Hof

Dit is zo sinds een uitspraak van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 176/2004 van 3 november 2004). Het Hof besliste dat alleen voor buitenlandse bestuurders een onweerlegbaar vermoeden geoorloofd is omdat de overheid in het kader van fraudepreventie ten aanzien van deze bestuurders niet over de vereiste inlichtingen beschikt die zij wel heeft ten aanzien van binnenlandse bestuurders.
Dit onweerlegbaar vermoeden voor buitenlandse bestuurders heeft gevolgen voor de aansluitingsverplichting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Op basis van diverse Europese verordeningen (Verordening 1408/71 en Verordening 883/2004) kunnen ze in sommige gevallen een aansluiting in België ontwijken als ze ook activiteiten als bestuurder of werknemer uitoefenen in het buitenland en zij al zijn aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds in het buitenland.

Hof van Justitie

Maar het zal niemand verbazen dat dit onweerlegbaar wettelijk vermoeden en de toepassing van de Europese verordeningen voor verwarring in de praktijk zorgen. Het Hof van Justitie heeft zich erover uitgesproken en geoordeeld dat artikel 3 van het KB nr. 38 in strijd is met het Europees recht (zaak C-137/11 van 27 september 2012). Het doel van de sociaalrechtelijke Europese Verordeningen is net om het sociaalrechtelijk stelsel van slechts één lidstaat van toepassing te maken. Die verordeningen hanteren het begrip “plaats van uitoefening van de activiteit” om te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is. Volgens het Hof moet de persoon in kwestie de mogelijkheid hebben om aan te tonen dat zijn werkelijke plaats van uitoefening van zijn mandaat in het buitenland ligt, zodat hij zich in beginsel niet moet aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds in België. Van zodra is bepaald waar de activiteit wordt uitgeoefend, kan de lidstaat dan de “aard van de activiteit” (zelfstandige of werknemer) bepalen en oordelen over de verzekeringsplicht en de betaling van de sociale bijdragen.

Gevolgen voor de praktijk

De uitspraak van het Hof van Justitie heeft wel degelijk zijn belang. Buitenlandse mandatarissen moeten voortaan voor de rechtbank de kans krijgen om aan te tonen in welk land zij hun mandaat effectief uitoefenen. Als zij kunnen aantonen dat zij de activiteit, verbonden aan hun mandaat uitoefenen in een andere lidstaat, zullen zij kunnen ontsnappen aan de verzekeringsplicht in België.
En wellicht zal ook onze wetgever moeten nadenken over een aanpassing van artikel 3 van het KB nr. 38. Wordt vervolgd.

KANTOOR VOSSELAAR
Antwerpsesteenweg 188
2350 Vosselaar
Tel. 014 62 21 90
Fax 014 61 92 58

KANTOOR LOMMEL
Louis Pasteurstraat 17c
3920 Lommel
Tel. 011 55 04 10
Fax 011 55 04 19

info@vanmiert.be