liquidatiebonus belast aan 25%

Datum : 25/04/2013

De nieuwe fiscale begrotingsmaatregelen stimuleren de (interne en externe) versterking van de kapitaalstructuur van (vooral) kmo's. Zo komt er een nieuwe verlaagde voorheffing voor dividenden uit nieuwe aandelen die minstens drie jaar behouden worden. Tegenover de verhoging van de liquidatiebonusbelasting (naar 25 %, maar slechts vanaf 1 oktober 2014) staat de mogelijkheid om bestaande reserves om te zetten in fiscaal gestort kapitaal aan een tarief van 10 %. Bovendien kan men die geïncorporeerde reserves belastingvrij uitkeren na vier jaar. Maar geldbeleggingen die tegelijk in aanmerking komen voor DBI en de notionele interestaftrek, zullen voortaan worden uitgesloten van de notionele interestaftrek. Inzake registratierechten vallen verhogingen van het vast recht ( 50 i.p.v. 25) en van de registratierechten op opstal- en erfpachtrechten te noteren (2 % i.p.v. 0,2 %).

In het kader van de laatste begrotingscontrole zijn ook weer een hele reeks fiscale maatregelen afgesproken. Blikvangers zijn een verlaging van de roerende voorheffing voor nieuwe kapitaalinjecties in kmo's en de aangekondigde verhoging van de liquidatiebonusbelasting van 10 % naar 25 %. Opmerkelijk is dat de belastingplichtigen ertoe worden aangezet om te anticiperen op de verhoging, die maar zal ingaan op 1 oktober 2014. En dat hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat men moet overgaan tot vereffening, met uitkering van de liquidatieboni uiterlijk op 30 september 2014. Want dankzij een nieuwe regeling waarbij de bestaande belaste reserves als het ware intern geliquideerd worden, zouden bedrijven in going concern tijdens dezelfde periode hun bestaande belaste reserves kunnen vastklikken aan 10 %. Een navolgende uitkering van die reserves zou enkel in de eerste vier jaar na het vastklikken bijkomend (degressief) worden belast. De mogelijkheid tot belastingvrije uitkering na vijf jaar biedt dus interessante perspectieven. Door vóór 1 oktober 2014 nog actie te ondernemen, kan men ontsnappen aan de verhoogde liquidatiebelasting in de periode daarna.

De minimumbelasting voor bedrijven heeft de eindmeet niet gehaald en komt er dus (vooralsnog) niet. Hetzelfde geldt voor de btw voor advocaten en de verhoging van het algemene btw-tarief.

Ontwerpwetteksten zijn er nog niet. Wat volgt zijn dus plannen, die nog in concrete wetteksten moeten omgezet worden. Daarbij zijn koerswijzigingen niet uitgesloten.

Regering laat ruim de tijd om te reageren op verhoging liquidatiebonusbelasting

De regering kondigt nu al aan dat de roerende voorheffing en de personenbelasting op liquidatieboni verhoogd zal worden van 10 % naar 25 % vanaf 1 oktober 2014. Men geeft dus de kans om - zonder overmatige tijdsdruk - vennootschapen nog tijdig te liquideren en liquidatie-uitkeringen te doen aan 10 %. Dat is een mooi signaal naar de belastingplichtigen toe, die voor één keer niet in snelheid genomen worden, maar natuurlijk ook budgettair goed gezien.

De regering wil echter vermijden dat vennootschappen voortijdig geliquideerd worden en biedt daarom een alternatief aan. Tot 1 oktober 2014 kunnen belaste reserves geïncorporeerd worden in het kapitaal aan een tarief van 10 %. Het is nog niet helemaal duidelijk hoe dat in zijn werk zal gaan en wat de precieze gevolgen zullen zijn. Het is wel duidelijk de bedoeling dat die geïncorporeerde reserves nadien - na verloop van vier jaar - belastingvrij uitgekeerd kunnen worden.

'Geanticipeerde heffing' aan gunsttarief

Een gewone incorporatie van belaste reserves in het kapitaal heeft geen belastingheffing tot gevolg. Maar de reserves veranderen in dat geval ook vanuit fiscaal oogpunt niet van karakter : het blijven reserves en indien zij nadien uitgekeerd worden naar aanleiding van een kapitaalvermindering, kwalificeren zij als dividend. De nieuwe regeling beoogt dus de belaste reserves om te laten zetten in daadwerkelijk fiscaal gestort kapitaal. Omzetting van reserves in fiscaal gestort kapitaal veronderstelt een fiscale afrekening op de reserves. Normaal gezien zal men dat resultaat maar verkijgen door een uitkering van een dividend gevolgd door een wederinbreng in kapitaal (of, in één beweging, via zgn. stockdividenden), dus een afrekening via de roerende voorheffing. De nieuwe 10 %-heffing is dan te beschouwen als een heffing op de (al dan niet impliciete) uitkering van de reserves. Wellicht zal de wetgever er dus voor opteren om ook de nieuwe afrekening aan 10 % via roerende voorheffing te laten gebeuren, zodat bv. vennootschappen die vrijstelling van roerende voorheffing en van liquidatiebonusbelasting genieten, niet gepenaliseerd worden omdat aandeelhouders-natuurlijke personen (i.t.t. aandeelhouders-vennootschappen) reserves willen laten omzetten met het oog op het vermijden van een latere roerende voorheffing van 25 % op de uitkering van die reserves (n.a.v. een kapitaalvermindering of een liquidatie). Een optie waarbij de 10 %-heffing geregeld zou worden via de vennootschapsbelasting, zou om diezelfde reden ook ogenschijnlijk onoverkomelijke vennootschapsrechtelijke problemen opleveren.

Bij een latere uitkering van de geïncorporeerde reserves via een kapitaalvermindering of liquidatie, is er in de eerste twee jaar een 'recapture' ten belope van 15 % (samen met de 10 % die al bij de incorporatie betaald is, komt dat dus neer op het volle tarief van 25 %). Voor het derde jaar bedraagt die 'recapture' 10 %, voor het vierde jaar nog 5 %. Vanaf het vijfde jaar is geen bijkomende belasting meer verschuldigd op de uitkering van de geïncorporeerde reserves.

voorbeeld Wie op 10 oktober 2013 incorporeert en op 9 oktober 2015 uitkeert, betaalt 15 % op de uitkering. Wie op 10 oktober 2015 uitkeert, betaalt 10 %. Wie wacht tot oktober 2017, betaalt niets. Men ontsnapt volledig aan de verhoogde liquidatieheffing (afgezien van de 10 % bij de incorporatie zelf).

Die optionele regeling is aantrekkelijk, want op die manier kan men, mits vooruitbetaling van 10 % en na een houdperiode van vier jaar, reserves uitkeren zonder verdere belasting. In het licht van evidente ontwijkingsmechanismen die verwacht kunnen worden naar aanleiding van een verhoging van het tarief van de liquidatiebonusbelasting, is dat een welgekomen en wellicht meer rechtszeker alternatief. De liquidatie, gevolgd door een doorstart in een andere vennootschap, of de step-up in het fiscaal gestort kapitaal via de inbreng in een eigen holding (zie p. 4 voor het nieuwe standpunt van de Rulingdienst), of andere ontwijkingsmechanismen riskeren immers in het vizier genomen te worden op grond van de algemene antimisbruikbepaling (art. 344 § 1 WIB 92). Als de wetgever daarentegen zelf een alternatief voorstelt, en de contouren ervan concreet aflijnt, is er geen fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige gebruik maakt van de geboden mogelijkheid.

Zo lijkt de overheid haar budgettaire doelstelling te willen halen door te slaan en te zalven.

Een datum van inwerkingtreding is nog niet gekend. Er is een akkoord over het principe maar over enkele details wordt nog overlegd. Verwacht wordt dat de nieuwe maatregelen m.b.t. liquidatie en incorporatie aan gunsttarief, in werking zullen treden ergens in de zomer.

© 2013 Wolters Kluwer Belgium NV

KANTOOR VOSSELAAR
Antwerpsesteenweg 188
2350 Vosselaar
Tel. 014 62 21 90
Fax 014 61 92 58

KANTOOR LOMMEL
Louis Pasteurstraat 17c
3920 Lommel
Tel. 011 55 04 10
Fax 011 55 04 19

info@vanmiert.be